In het Middelnederlands

Typische woorden, zinsconstructies, afwijkende spelling & betekenissen

 

196; ‘Of ic mi doepte ende ic dan                               

Niet en conste wederstaen,

Ic en worde den viant onderdaen’  en 

 

196; ‘Als ik gedoopt was en dan

De verleiding niet kon weerstaan,

Dan werd ik des duivels onderdaan’

 

241; Al ware al de weerelt dijn

Ende soe oec ware roet ghuldijn

Ende ghise mi mocht geve                               

Ende daer toe met blischepen soude leven.  

                                                                                                                               

241; Als de hele wereld van u zou zijn

En helemaal van rood goud zou zijn

En u ze mij kon geven

En ik daarbij in vreugde zou leven.

 

249; Dies willic weder varen

In die deemsternes.’

                                                                     

249; Ik moet nu weer gaan reizen

Naar de plaats, zo vol afgrirjzen,

In de duisternissen’

 

261; Doe si te scepe quamen

Ende orlof ghenamen

An vrienden ende maghen mede

Gode bevalen sise ter stede.                   

                                                                               

261; Toen ze bij het schip aankwamen,

Van hun verwanten afscheid namen

En ook van hun kameraden

Bevalen die hen in Gods genade.

 

293; Doe voeresi met ghemake

Up des zeewes vlake

Doe versach sente Brandaen

Eenen sconen werf staen    

Hi dochte den wijsen heere

 

293; De zee was kalm en vlak,

Ze voeren op hun gemak.

Toen zag Sinte Brandaan

Een kust, zeer aangenaam

Die leek op de wijze heer.

 

348; Het wilde haer scip vaen,

Ende verderven mettien.

‘Wij en dorvent niet ontsien,’

Sprac sente Brandaen.

 

348; Het wilde hun schip al grijpen

En vernielen in de vloed

‘Mannen, hou goede moed,’

Sprak Sint Brandaan

 

 

 

 

conste = de verleiding

Viant = duivels

doepte = gedoopte

wederstaen = weerstaan

 

 

 

 

 

De weerelt = de wereld

Roet Ghuldijn = van rood goud

Met blischepen = in vreugde

 

 

 

 

 

 

Varen = reizen

Deemsternes = duisternissen

 

 

 

 

 

 

Doe = toen

Te scepe = bij het schip

Orlof = afscheid

maghen = familieleden

 

 

 

 

 

 

 

Vlake = oppervlak

ghemake = gemak

Versach = kreeg in zicht

Werf = kust

Dochte = leek

 

 

 

 

 

 

scip = schip

Vaen = grijpen

Verderven = vernietigen

 Sprac = sprak

Maak jouw eigen website met JouwWeb