Het Fragment: Het Reuzenhoofd

Men zou gaan varen, maar alsdan

vond hij het hoofd van een dode man

voor hem liggend op het zand: overgeleverd.

de vloed dreef het aan land.

Het hoofd was echt geweldig groot:

iets vergelijkbaars zag hij nooit.

Het voorhoofd was, God weet,

minstens vijf voet breed.

 

Brandaan bezwoer het hoofd bij de Here

om zich terstond tot hem te keren,

zodat het hem zou doen verstaan

hoe 't in zijn leven was gegaan.

Waarop het grote hoofd dan zei:

 

‘Heel wat moeite kost het mij

om u thans te doen verstaan

hoe het met mij is gegaan.

Ik was altijd een heiden.

Om geen gebrek te hoeven lijden,

waadde ik dikwijls heel alleen

door de hoge golven heen.

Ik was sterk en was niet bang

en ik was wel honderd voet lang.

Dus waadde ik ver uit de kust

en liet geen enkel schip met rust.

 

Al wie op de woeste baren

met schepen wilde varen,

ontroofde ik al zijn have en goed.

Toen kwam er een geweldige vloed,

met zo'n enorm tempeest -

al was ik nog eens zo lang geweest,

nooit had ik gevonden vaste grond

waar ik eerst tot de borst in het water stond.

 

Ik was opeens een stuk te klein

en zo moest het mijn sterfdag zijn,

zoals er een eind komen moet

aan alles wat kwaad is of goed,

behalve aan de hel,

waar de zielen worden gekweld,

ellendig samen zijnde

zonder hoop op ooit een einde.

Niets ontkomt er aan de tijd,

behalve de hel en het paradijs,

waar de zalige personen

in eeuwige vreugde mogen wonen.’

 

Toen sprak Sinte Brandaan

getroffen, zeer spontaan:

‘Als ik God afsmeken zou

dat Hij weer leven gaf aan jou,’

sprak Sinte Brandaan,

‘nam jij dan het doopsel van me aan?

Wil jij voortaan Gods lof verkonden,

dan vergeef ik je je zonden

en dan word jij ook waarachtig

het paradijs nog wel deelachtig.’

 

Daarop zei de heiden:

‘Moet ik dan ook weer van 't leven scheiden?’

‘Jawel,’ sprak Sinte Brandaan,

‘daar is geen ontkomen aan.’

 

Toen zei de heidense man:

‘Als ik gedoopt was en dan

de verleiding niet kon weerstaan,

dan werd ik des duivels onderdaan.

Hij maakt steeds weer een ander plan

waarmee hij ons bedriegen kan.

 

Van rijkdom krijg ik nooit genoeg.

Wellicht dat ik weer aan 't roven sloeg

en mij tot alles weer liet noden

wat de Schepper ons heeft verboden.

Dan zou men toch ter helle

mijn ziel wel veel meer kwellen

dan het me nu geschiedt,

heus, dit ontgaat me niet.

 

Wie 't doopsel christen heeft gemaakt

en die dan Gods gebod verzaakt,

de Bijbel leert het hier,

zijn ziel wordt in 't helse vuur

veel meer gekweld en gepest

dan wij. Dat weet ik best.

Omdat ons namelijk niemand leert

en naar Gods wetten keert.

 

Dus vrees ik, als ik het doopsel ontving

en toch mijn eigen gang weer ging,

of het nu vroeg was of laat,

door Satans kwade raad,

om have of om goed,

zoals menig mens toch doet,

dat men mij dan ter helle

heel wat meer zou kwellen

dan het me nu geschiedt.

 

Want mijns gelijken kwelt men zo niet

als wie de doop ontvangen heeft

en desondanks in zonde leeft.

Maar minstens zoveel vrees ik de nood

bij nog weer opnieuw: de dood,

als die weer net zo bij me kwam

en me alles ontnam:

 

het zitten, het staan,

het lopen en gaan,

het eten en drinken,

het spreken en denken,

horen en spreken,

en dat mijn aderen zouden breken

en dat mijn ziel weer lijden ging

in de helse pijniging.

 

Als de hele wereld van u zou zijn

en helemaal van rood goud zou zijn

en u ze mij kon geven

en ik daarbij in vreugde zou leven

wel tweeduizend jaren,

u kon u de moeite besparen,

geloof me, wat ik ook zou verwerven,

ik wees het af, als ik weer moest sterven.

Ik moet nu weer gaan reizen

naar de plaats, zo vol afgrijzen,

in de duisternissen.’

 

‘Ga. God laat je zelf beslissen

waar je naar toe wilt gaan,’

sprak de goede Sinte Brandaan.

 

Dus is de heiden toen

naar hij van God mocht doen,

teruggekeerd naar die plaats.

Sint Brandaan ging met zijn maats

naar het schip, daar aan de wal,

zoals God zelf hem beval.

 

Toen ze bij het schip aankwamen,

van hun verwanten afscheid namen

en ook van hun kameraden,

bevalen die hen in Gods genade.

Het zeil, bevestigd aan de mast,

werd naar de wind gebrast,

de riemen werden uitgelegd.

Nu begon de reis pas echt.

O, hoe mooi voer hun boot!

 

Maar spoedig was er grote nood

door een dier, ontzettend lang,

een wonderlijke draak of slang.

Daar zwom het op hun scheepje aan,

zijn muil had het al openstaan

en die was vele vadems wijd.

 

Dit was meteen hun ergste tijd:

nooit kwamen ze in grotere nood.

Er was een wolk die zich ontsloot

waaruit een vreemd dier zichtbaar werd.

Het vloog, en leek wel op een hert.

Het achtervolgde vliegensvlug

die draak, en dreef hem ver terug,

tot het hem zo geheel verdreef

dat ze niet wisten waar hij bleef.

 

Toen het dat had gedaan,

is het teruggegaan

in de wolk waaruit het kwam.

Toen Brandaan dit in ogenschouw nam,

was hij heel vrolijk en blij.

Onze Heer dankte hij.

De redding uit de drakeklauwen

vermeerderde zijn Godsvertrouwen.

 

De zee was kalm en vlak,

ze voeren op hun gemak.

Toen zag Sinte Brandaan

een kust, zeer aangenaam,

die leek de wijze heer

wel zes mijl breed, of meer.

De kust lag op de rug van een vis.

 

't Boek zegt dat daar zoet water is

dat op die plek in zee komt stromen.

Daar kon die vis aan eten komen,

en hij lag daar, jaar in jaar uit,

naar het in het boek verluidt.

 

Een bos was langs de kust gelegen,

de monniken hadden weer moed gekregen

en trokken het schip aan de kant,

waarna het nieuwe land

door iedereen werd aanschouwd.

 

Ze gingen ook uit op hout

voor het koken van hun eten:

de honger liet hun dat niet vergeten.

Waar ze hun ketel ophingen

en op hout uitgingen,

was een boom met droge takken.

 

Toen ze begonnen te hakken,

schoot het eiland met alles erop en eraan

plotseling diep in de oceaan,

zodat de heilige man

maar net op tijd het schip opkwam.

 

Haastig zijn ze in 't schip gesprongen

en hebben Godes lof gezongen

omdat Zijn goedertierenheid

hen van dit onheil had bevrijd.

De kust ging helemaal onder.

Dit was het derde wonder

dat de heren zagen.

 

De wind ging hen opjagen,

het zeil rukte aan de schoot.

Ze waren in grote nood,

zeer slecht op hun gemak.

De heilige abt, hij sprak:

‘Die kust, die verzonken is,

lag mijns inziens op een vis.

Die was zeker al oud,

want er groeide een heel woud

op de rug die wij betraden.’

 

Waarna de monniken baden

uit het diepst van hun gemoed

dat God, zo wijs en goed,

hen voeren zou naar het strand

van een gestadig land.

 

Toen ze de vis ontvaren

en snel aan het zeilen waren

op weg naar een volgend wonder,

zagen ze een ijselijk monster

voor hen uit de golven rijzen.

Het wilde hun schip al grijpen

en vernielen in de vloed.

‘Mannen, hou goede moed,’

sprak Sint Brandaan,

 

‘wij hebben hem niets misdaan.

Laat ons schip in Gods hand varen,

God zal ons voor hem bewaren.’

Half vrouw was het en half staart,

zijn lichaam was raigbehaard.

Het ging rond het schip heen en weer.

 

Sinte Brandaan viel neer

met beide knieën bloot

en bad om hulp in de nood.

Zijn monniken altegader

baden tot God Onze Vader,

en daar ging het vreselijke monster

vlak naast hun schip onder,

zodat ze 't geborrel en gebruis

die hele dag, uur in uur uit,

van diep beneden moesten verduren.

Toen voeren ze verder, vele uren.

Het hele verhaal in een filmpje

Maak jouw eigen website met JouwWeb